Meerwaarde van capnografie in de prehospitale setting
Capnografie (EtCO₂) geeft continu inzicht in ventilatie, luchtwegstatus en (indirect) perfusie, via zowel een getal als een capnogram (golfvorm). In de prehospitale zorg is dat extra waardevol, omdat “kijken, luisteren en voelen” tijdens transport lastiger is door beweging, omgevingsgeluid en optische/akoestische signalen.
Capnografie binnen de ABCDE-systematiek:
A – Airway (luchtweg)
- Toont dat de luchtweg functioneel open is (CO₂ wordt uitgeademd).
- Bevestigt en bewaakt tubepositie (tracheaal vs. oesofageaal) en helpt dislocatie snel herkennen.
- Signaleert (dreigende) obstructie of problemen met het luchtwegmateriaal.
B – Breathing (ademhaling)
- Geeft directe feedback over kwaliteit van (kap-)beademing en ventilatie-instellingen.
- Maakt ademhalingsproblemen vroeg zichtbaar, zoals:
- lekkage (masker/tube)
- obstructie/bronchospasme
- afwijkende ademfrequentie
- onvoldoende/te grote teugvolumes (trend + golfvorm)
- Expliciet nuttig bij (iatrogeen) geïntoxiceerde of gesedeerde patiënten: (ook non-invasief) EtCO₂-capnografie kan tijdens transport helpen om ademhalingsfrequentie en ventilatie betrouwbaar te monitoren.
C – Circulation (circulatie)
- EtCO₂ kan worden gebruikt in diagnostiek, behandeling en monitoring van de circulatoire status, maar is geen “harde” maat voor cardiac output.
- Het is vooral een indicatieve/indirecte maat voor perfusie/cardiac output, mits de luchtweg open is en de ventilatie adequaat en stabiel is.
- Bij OHCA ondersteunt EtCO₂:
- evaluatie van kwaliteit/effectiviteit van borstcompressies,
- het herkennen van veranderingen passend bij ROSC (trendmatig).
D/E – Overig (context en trendbewaking)
- Ondersteunt het klinisch redeneren en kan bijdragen aan het opstellen en bijstellen van een differentiaaldiagnose, vooral door trends en de golfvorm te combineren met het klinisch beeld.
- Kan prognostische/predictieve informatie geven (met name trendmatig, bijvoorbeeld bij reanimaties en ernstig zieke patiënten).
Toepassingen in de praktijk:
- OHCA: feedback op borstcompressies en trendbewaking richting ROSC.
- Luchtwegmanagement: bevestiging en bewaking van tubepositie.
- Ademhalingsbewaking tijdens transport: snelle detectie van lekkage, obstructie, afwijkende ademfrequentie of ventilatieproblemen.
- Monitoring bij intoxicatie/sedatie: objectieve bewaking van ventilatie als klinische observatie lastiger is in de rijdende ambulance.
- Trendmatig prognostisch/predictief: ondersteuning bij inschatting van beloop en respons op interventies.
Wil je hier meer over weten? Kijk dan op de pagina “Interpretatie & Pathologie”

Vergelijking met andere monitoringstechnieken
Capnografie (EtCO₂) vult andere monitoring aan, omdat het eerder veranderingen kan laten zien in luchtweg, ventilatie en (indirect) circulatie. Hieronder vergeleken met pulsoximetrie en klinische observatie, ingedeeld volgens de ABC-systematiek:
A – Airway (luchtweg)
- Capnografie: als de luchtweg plots (gedeeltelijk of volledig) afsluit — bijvoorbeeld door bewustzijnsdaling, secreet, zwelling of brandwonden — kan het uitgeademde CO₂ direct afnemen of verdwijnen.
- Pulsoximetrie: de saturatie kan daarbij nog minuten normaal blijven door zuurstofreserve. Een dalende SpO₂ is dus vaak een late indicator.
- -> EtCO₂ helpt om veranderingen in A sneller te herkennen dan SpO₂.
- B – Breathing (ventilatie
- Capnografie: geeft continue, objectieve informatie over ademhalingsfrequentie, ventilatie en de kwaliteit van beademing (getal + capnogram). Veranderingen in obstructie, lekkage, teugvolume of ademfrequentie worden vaak vroeg zichtbaar.
- Klinische observatie: ademhalingsbeoordeling kan moeilijk zijn en varieert tussen zorgverleners. Dit geldt extra in de prehospitale setting en bij specifieke groepen:
- kleine kinderen: thoraxexcursies zijn subtiel,
- ouderen: minder elastische thorax en meer diafragmale ademhaling → excursies minder zichtbaar.
Met (non-invasieve) EtCO₂-monitoring is de ademhalingsfrequentie als betrouwbaar getal op de monitor zichtbaar, ook tijdens transport.
- C – Circulation (perfusie)
- Pulsoximetrie: meet oxygenatie (SpO₂) en zegt weinig over ventilatie of perfusie in een vroeg stadium. Een lage SpO₂ kan zowel door een B-probleem (ventilatie/long) als een C-probleem (slechte perfusie/shock) komen.
- Capnografie: EtCO₂ kan helpen dit onderscheid te ondersteunen:
- Bij een primair C-probleem (bijv. shock/laag cardiac output) is EtCO₂ vaak laag door verminderde CO₂-aanvoer naar de longen (mits luchtweg en ventilatie adequaat zijn).
- Bij een primair B-probleem kan EtCO₂ normaal of verhoogd zijn, afhankelijk van het type ventilatieprobleem (en kan vooral de trend en de capnogram-vorm richting geven).
Belangrijk: EtCO₂ is hierbij een indirecte/indicatieve maat en moet altijd geïnterpreteerd worden in combinatie met kliniek en andere parameters.
Capnografie is een waardevolle aanvulling in de prehospitale setting. Door capnografie breder toe te passen, gebruikt de ambulancezorgprofessional een (vaak al aanwezige) monitor om extra, continue informatie te verzamelen over luchtweg, ventilatie en (indirect) circulatie. Dit kan helpen om veranderingen eerder te herkennen, interventies gerichter bij te sturen en de zorg voor (vitaal bedreigde) patiënten beter te monitoren tijdens transport.

